vrijdag 3 april 2009

Oogcontact

“De Heer draaide zich om en keek Petrus aan, en toen herinnerde Petrus zich de woorden van de Heer.” (Lukas 22:61)

Op dat ene verschrikkelijke moment komt alles samen. Zoals een achtbaan die zich kreunend een weg naar boven heeft gezwoegd op het punt staat om zich de vreselijke afgrond in te storten. Op dat moment waarop de blikken van Petrus, die weg kan vluchten, en Jezus, die zijn dood tegemoet gaat elkaar kort kruisen wordt alles duidelijk. Er zijn geen woorden nodig om dit verschrikkelijke moment voor altijd op Petrus’ netvlies te branden. Eén blik volstaat.

Is het een beschuldigende blik? Of zoiets als “ik had het je toch gezegd, ik had je nog zo gewaarschuwd”? Een blik vol mededogen? Een blik waarin de pijn en de verschrikking van de foltering even plaats maakt voor de pijn van de eenzaamheid, de verlatenheid? Dat zelfs één van zijn beste vrienden Hem op dit moeilijkste moment niet wil kennen? Een blik met een wanhopig waarom? In een flits is het ook alweer voorbij.

Dit korte oogcontact, waarin ongetwijfeld een wereld aan emoties oplicht en weer dooft, heeft in ieder geval op Petrus een verpletterende uitwerking. Ik zie hem vechtend tegen zijn tranen naar buiten rennen. Met zijn maag in zijn keel en het lawaai van de achtbaan in zijn hoofd. Hij rent zo hard mogelijk weg. Alsof hij het lawaai uit zijn hoofd wil rennen. De tranen lopen over zijn wangen. Zijn lichaam schokt van het overweldigende verdriet. In het donkerste donker stort hij in elkaar en schreeuwt het uit. Bittere tranen, en het komt nooit meer goed. Nooit meer goed.

Zelfs als er geen tranen meer zijn om te huilen, blijft de doffe pijn. Waarom? Waarom kon ik niet met hem sterven? Waarom niet vechtend ten onder gaan? Of verzwolgen door de golven op het meer? Is dit nu mijn straf? Ik kan me nooit meer onder de mensen vertonen. Iedereen weet het, iedereen heeft het gezien. En wat nog veel erger is: Hij weet het, Hij heeft mij gezien. Hij kent mij immers door en door? Ik laat Hem zijn dood tegemoet gaan terwijl ik als één van zijn beste vrienden en trouwste volgelingen hem niet wilde kennen. Hij moet daar, helemaal alleen, die verschrikkelijke weg gaan, omdat ik te laf ben om voor Hem uit te komen. Ik heb Hem in de steek gelaten en teleurgesteld. En weer komen de tranen. Berouw. “Te laat, te laat” dendert het door mijn hoofd. Ik kruip nog dieper weg in de duistere nacht. Zodat niemand mij kan vinden. Ik hoop mezelf kwijt te raken en dat vreselijk holle gevoel van binnen. Alsof mijn hart met een donderende klap op de straatstenen uiteengespat is. En een lege plek in mijn binnenste heeft achtergelaten.

Mijn stem is hees, mijn ogen rauw van de tranen. En telkens weer die blik van Hem. Op mijn netvlies gebrand. Als ik in het vuur kijk, zie ik Hem, als ik mijn ogen dichtknijp in het donker, kijkt Hij me doordringend aan. En ik had nog wel zulke grote woorden. “Dat nooit” had ik geschreeuwd, toen Hij over zijn lijden en sterven sprak. En “ik ben bereid om met u de gevangenis in te gaan en te sterven”. Waarom had Hij het dan steeds over Satan? Wat heb ik gemist toen ik in slaap viel in de hof? Heb ik Jezus dan zo slecht begrepen?

Ik weet echt niet meer hoe ik aan die voet van de heuvel terecht ben gekomen. Een sterk verlangen zoog mij daar naar toe. Ik heb nog tegengestribbeld, omdat ik bang was voor wat ik zou zien. Bang voor de veroordelende blikken van de anderen, die ik zo goed kende, die blikken. Ik weet nog dat ik de arm van één van de vrouwen voelde, die even om mijn schouder lag toen ze mijn betraande ogen zag. Ik durf niet te kijken. Ik ben allang blij dat ik geen steen naar mijn hoofd krijg en door de anderen weggejaagd wordt. De duisternis omhult me als een welkome deken. Tegelijkertijd moet ik rillen van de kou en voelt de duisternis als een loden last. Ik krimp in elkaar als ik zijn stem voor de laatste keer hoor. Vervormd van de pijn en de uitputting, maar duidelijk zijn stem. Spijt en berouw overspoelen me opnieuw. Ik schaam me zo. Mijn wangen gloeien van de tranen. Nu kan ik het nooit meer goedmaken. Zonder te kijken loop ik de heuvel af naar het grote gulzige niets van de toekomst.

De maan volgt zijn baan langs de hemel. Ik lig op de grond en kijk met wijd opengesperde ogen naar de sterren. De afgelopen drie jaar komen in flitsen voorbij. Zoals die eerste keer. Toen Hij in mijn vissersboot stapte om vanaf het water de mensen toe te spreken. Ik herinner me zijn blik toen Hij me vroeg om te gaan vissen. Ik begrijp nog niet waarom ik naar dit dwaze verzoek luisterde. Het was iets in zijn ogen, iets in zijn stem…

…Ik zie beelden van zieke en gehandicapte mensen. Die door Hem genezen werden. Ik zie dat het Hem energie kost. Dat Hij moe wordt en moet rusten…

…in gedachten proef ik opnieuw het water dat in wijn veranderde. Ik zie de opluchting van de ceremoniemeester, het geluk van het bruidspaar. Ik weet weer hoe ik van Hem ben gaan houden. Hij was zo anders, de Zoon van God. Maar Hij was ook zo gewoon, een mensenzoon.

Ineens worden deze zoete herinneringen verstoord door een indringende blik. Het lawaai van de achtbaan lijkt weer aan te zwellen. Ik voel opnieuw de angst, de paniek. “Ik ken Hem niet”, hoor ik mezelf schreeuwen. Met een droge snik probeer ik de pijn weg te drukken. Ik knipper met mijn ogen om de pijn in zijn ogen niet meer te hoeven zien.

…ik denk aan de Samaritaanse vrouw, die door Hem niet veroordeelt werd, ook al wist Hij alles van haar. En dat was niet best. Ik weet nog dat ik er niet gelukkig mee was. Zo’n slechte vrouw. Nu sluit ik beschaamd mijn ogen. Als ik haar leven vergelijk met wat ik mijn Meester heb aangedaan… Voor mij geen vergeving, want Hij is er niet meer…

…of die keer dat Jezus huilde, omdat zijn goede vriend Lazarus gestorven was. We hebben onze ogen uitgekeken toen Lazarus weer tot leven was gekomen. Maar wie kan Jezus uit de dood opwekken?

…en pas geleden nog, al lijkt het zo heel lang geleden. Toen Jezus onze voeten waste. Als ik aan de blik in zijn ogen denk, krijg ik een brok in mijn keel.

Ik begrijp het niet. Het was het graf van Josef. En Jezus mocht er in gelegd worden. En nu zegt Maria dat Hij weg is. Samen met Johannes haast ik mij naar het graf. Toch blijf ik een beetje achter. Ik wordt geplaagd door dubbele gevoelens. Zoals bij de heuvel. Een deel van mij trekt me naar het graf. Om het zelf te zien. Een ander deel wil wegrennen. Het komt immers nooit meer goed? Toch wint het verlangen van de angst en ik sta in het graf voor ik er erg in heb. Ik zie Hem niet…

’s Avonds, thuis met de andere vrienden, is Hij daar ineens. Ik duik een beetje weg. Voel me weer zoals in het begin. “Ga weg van mij Heer, want ik ben een zondig mens”. Hij heeft het over vrede, en zend ons opnieuw uit.

“Ik ga vissen”, zeg ik en de anderen gaan mee. We vangen de hele nacht niets. En nog gaat er geen lampje bij me branden. “Gooi het net aan stuurboord uit”. Hoewel ik altijd de eerste ben om de Heer te herkennen heb ik nu de hulp van Johannes nodig. Voor ik het weet ploeter ik door het water naar de kant. Verward loop ik terug naar de boot om het net met de vissen aan land te trekken.

Ik durf niet te kijken of naar Hem toe te gaan. Ten einde raad ga ik de vissen maar tellen. Mijn hart bonst in mijn keel. Wat moet ik doen? Wat moet ik zeggen? Waar moet ik kijken? Ik ben het niet waard. Wat zal Hij van me denken, zal Hij boos zijn? Verdrietig? Teleurgesteld? Dit kan toch niet? Hij zegt “Kom, eet iets”. Ik probeer een beetje achter de anderen weg te kruipen. Ik ben zó graag bij Hem in de buurt. Maar ik durf niet meer zo dicht bij Hem te zitten. Na het eten ploft Hij naast me in het zand en vraagt of ik Hem meer dan de anderen liefheb. Ik buig mijn hoofd en wordt langzaam rood terwijl ik mompel: “Ja Heer, u weet dat ik van u houd.” Dit gaat zo nog een tijdje door en tenslotte roep ik, terwijl ik Hem door dikke tranen in mijn ogen heen aankijk, toe “Heer, u weet alles, u weet toch dat ik van u houd.”. Dwars door mijn tranen zie ik zijn glimlach. Ik zie zijn ogen zoals ik ze mij herinner lang voordat de haan kraaide.

Weer dendert een achtbaan over de rails, maar nu is het een heerlijke sensatie. “Vergeven, het is vergeven”, hoor ik op de cadans van de wielen. En als ik opzij kijk zit Hij naast me en we genieten samen. En ik weet het zeker. Ik wil Hem volgen, heel mijn leven, en voor eeuwig.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten